In de rubriek Podium verschijnt eens in de maand een stuk gloednieuwe fictie dat geïnspireerd is op reeds bestaande fictie. De auteur heeft zich laten leiden door een schrijver, verhaal of personage uit de wereldliteratuur, maar schrijft een geheel eigen verhaal.
Mira Sys werd geïnspireerd door Oorlog en vrede (1867) van Leo Tolstoj. Ze dook in de gedachten van een van de vele personages, Natasja Rostov, een jonge vrouw die op het moment van schrijven een nogal turbulent liefdesleven achter de rug heeft.
Ze viel als een blok voor de oudere vorst Andrej Bolkonski, een zachte man van goeden huize, en niet lang daarna vroeg deze haar ten huwelijk. De chagrijnige vader van Bolkonski keek echter neer op de Rostovs, en eiste een jaar uitstel voor het huwelijk, om zijn zoon te behoeden voor impulsiviteit. Andrej ging in de tussentijd rondreizen in Europa, Natasja bleef thuis op hem wachten. De jonge Natasja werd echter gek van de afstand tussen hen beiden, en hunkerde ongeduldig naar zijn liefde.
Toen de knappe verleider en prins Anatole Koeragin haar pad kruiste, had die dan ook geen beter moment uit kunnen kiezen. Voor hem was het een spel, maar zij werd opnieuw verliefd. Heimelijk schreven de twee brieven naar elkaar, en smeedden plannen om Natasja door hem te laten schaken. Net wanneer ze haar verloving met Andrej via een brief ongedaan had gemaakt, werd Natasja betrapt en tegengehouden. Een einde aan haar sprookje.
De witte duif
Ik heb een fout gemaakt. Onherroepelijk. Maar wat was hij charmant, met zijn knappe gelaat. En avontuurlijk. Oh, wat was ik hem graag achterna gereisd. Met mijn wapperende rokken bij hem op het paard gesprongen, en dan hadden we ons door niets of niemand laten tegenhouden. Dan hadden we zijn valse huwelijk ongedaan gemaakt. Alles voor de liefde. Of anders de lust.
Maar wat met mijn verbroken belofte aan die ander? Mijn gebroken verloofde, die – voor zover ik doorgefluisterd krijg – zich nu op oorlogspad bevindt? Wanneer mensen over hem spreken, doen ze dat met gebogen hoofd. Of ze doen het wanneer ik er niet bij ben. Ik hoor dat dan wel. Het gesmoes, het achterbakse geroddel. Alsof zij nooit in de verleiding zijn gekomen door de vruchten des levens. Alsof zij nooit in de fout zijn gegaan.
Maar nee, zo’n fout als ik, zo hebben er slechts weinigen een gemaakt. Sonja, mijn lieve Sonja, had me nochtans gewaarschuwd. Ze zei dat ik me niet moest inlaten met deze gevaarlijk aantrekkelijke man. Dat er problemen zouden volgen. De grootsheid van die problemen kon ik op dat moment echter onmogelijk voor me zien.
Toen keek ik nog naar de wereld met de ogen van een meisje, nu ben ik een vrouw. Met alle pijn en gekrenkte trots die bij dat vrouw-zijn horen. Het is verootmoedigend. Slechts enkele maanden terug was ik een koningin. Ik kon alles krijgen wat ik wilde. Maar ook koninginnen kunnen vallen. Voetstukken zijn niet gehouwen om op hun plaats te blijven staan.
Mijn misselijke dagen vul ik nu met spijt en te weinig eten. Hoe graag ik samen met mijn braaksel ook mijn ziel zou willen overgeven. Al het giftigs uit mijn lichaam spuien. Tevergeefs.
Vanaf de laagste plek zal ik weer klimmen. Bidden voor de mannen die van mijn alles samen niets hebben gemaakt. Die ik bemin en minacht tegelijkertijd. Mijn woeste wilderling en vaste hand. Ik ben bang voor het moment waarop hun paden kruisen, een duel tot de dood erop volgt. En toch kan ik niet wachten. Misschien dat dit alles dan eindelijk over is. Dat iedere zondige roddelaar dan de mond wordt gesnoerd. Als er een hogere macht is, weet ik dat die mijn fouten zal doen keren.
De dokters zeggen dat ik ziek ben. Dat ik misschien niet lang meer te leven heb. Ik ken weinig mensen die de dood zozeer verdienen als ik. Ik zal hem trots in de ogen kijken en vervolgens voor hem door de knieën gaan. Dit lot met waardigheid dragen, is het laatste wat ik nu nog kan doen. De brouwsels der wetenschap leg ik naast me neer. Net als het leven.
De vrijheid die mijn verloofde me had geschonken was een leugen. Een leugen die de vrouw in mij zo makkelijk zou hebben doorprikt. Maar het meisje niet. Wanneer ik mijn ogen sluit ben ik weer even dat meisje. Die koningin. Guitig lachend en aanbeden door half Petersburg. Maar toen beet ik van de appel.
Nu zit ik hier, mijn vingers prikkend aan het mes dat soepel door mijn hand glijdt. Vlijmscherp. Dodelijk. Het zou zelfs de sterkste spieren doorklieven.
Met één hand hou ik het witte wezentje tegen de grond gedrukt. Mijn vingers omklemmen strak het nekje. De ogen, aan beide zijkanten van de kop, kijken me goedmoedig aan. ‘Hou van me’, lijken ze te zeggen. Ik steek en blijf steken, tot het wit rood werd en de dood een feit.
Dit duifje.
Met haar ziel zo puur als glas.
Zo zou de mijne nooit meer worden.