Haar bleke haren waren verstopt onder haar muts. Enkel nog de flinterdunne huid in haar gezicht was zichtbaar. ‘Mijn sneeuwvogeltje’, noemde haar moeder haar soms. Dat zei ze dan zacht en teder, met fluisterende stem. Dan kuste ze haar bleke oren en witte neus, en liet overal lippenstiftvlekken achter. Soms met een adem die wat alcohol verried. Op die momenten was de tederheid het sterkst.
Het gebeurde wel eens dat ze haar sneeuwvogeltje liet vliegen. Zomaar, van de trap. Dat er geen lippenstift restte, maar een prachtig patroon van rode en blauwe vlekken. Het kind moest eens uit haar nest geraken.
Maar vandaag zou het zo niet lopen. Het meisje leek bijna te zweven, met haar laarsjes net boven de sneeuw. Wat was het er toch heerlijk rustig. Enkele toevallige passanten leken zich af te vragen wat ze daar deed. Ze zagen de donkere nacht weerkaatst in haar ogen, en vroegen zich af hoe zo’n jong meisje zo’n zwarte blik met zich mee kon dragen. Zelf was ze zich daar nauwelijks van bewust. Hoe kon ze ook. Ze vond het mooi daar. Met kerstlichtjes in de bomen en sterrenlichtjes in de lucht. Ze zocht een leuk plaatsje, schoof wat sneeuw en bladeren aan de kant en ging zitten. Het was koud, maar dat vond ze niet erg. Rechts van haar rees een oude brug hoog boven het water uit en links lag de stad, in al haar mooie gebreken. Van hieruit was haar huis niet meer dan het huis van enkele poppetjes. Het mamapoppetje, dat nu haar roes lag uit te slapen op bed. Het kindjespoppetje, dat was zij, en dan nog allemaal semi-papapoppetjes, die het huis kwamen in- en uitgelopen naar eigen inzicht. Ze haalde enkele stiften uit haar rugtas, zocht een gepast stukje hout, en begon driftig te tekenen. Toen het papapoppetje af was, hield ze het in het licht om het beter te kunnen bekijken. Haar handen waren al helemaal paars en daarna stilaan rood geworden, en rond haar knokkels begonnen reeds verschillende barstjes te verschijnen. Wantjes was ze thuis vergeten.
Het papapoppetje had lange haren en een baard, met kleding die wat weg had van een jurk uit versleten lakens. Op school had ze geleerd dat dit een man was die ooit had geleefd, en nooit helemaal was weggegaan. Een man die mensen in nood had geholpen, zonder ze pijn te doen. Ze wenste dat dit de man was die, zoals de papa’s van de andere kinderen dat deden, verhaaltjes zou komen voorlezen naast haar bed.
De uren verstreken en ze kreeg haar eigen burcht van sneeuw rondom zich. Hier was zij de baas. Triomfantelijk liet ze zich er helemaal in wegzakken. Wat was het onaangenaam warm in haar burcht, bijna alsof ze veel te dicht tegen een haardvuur aan lag. Haar hoofd duizelde een beetje, en haar vingers prikten.
Sirenes in de verte – nee, niet in de verte, dichtbij eerder. Een man rent naar haar toe, met een deken om haar in zijn armen te nemen. Haar bijna levenloze lichaampje schrikt, probeert zich los te worstelen, kijkt naar hem en stopt. Tegen het bezorgde gezicht van de man van de hulpdiensten plakken lange, natte haren. En een baard.