Ik stond aan het raam.
Voor mij een koninkrijk, een wereld vol verhalen.
Ik was jong, veel te jong voor deze kroon.
Op mijn blote voeten liep ik door de marmeren gang. Het was aangenaam warm op het terras, een zachte lenteavond.
Het was de avond van het bal. Van de dansende blaaskaken, de nette hoerenlopers.
“Ga je niet dansen?”
Malai keek met grote ogen naar mijn jurk. Haar vlechten waren scheef geknoopt, maar het stoorde niet. Niets stoorde bij haar, ze was een koningsdochter. Ik liep haar tegemoet, mijn zusje, verdrinkend in haar nachtjapon. Ze zag er zo gelukkig uit. Ik tilde haar op.
“Ik zal dansen, hier, met jou.”
Kirrend liet ze zich meedragen door mijn armen, vliegen door de lucht.
Weer op de grond had ze echter zichzelf teruggevonden, haar kinderlijke ernst keek me in de ogen.
“Ben je bang dat ze je niet zullen vragen, is het dat?”
Ik knikte en glimlachte. Liegen als een koningin.
“Ik zal voorop gaan, kom nu toch mee, ik smeek het je!”
Ze nam mijn hand en leidde me. Ach, het was nog een kind.
De lange jurk verborg mijn vrije voeten, de lagen make-up mijn vrije ziel. Over de drempel werd ik iemand anders, iemand die hard was, omdat ze dat van mij verwachtten.
Ik keek langs hen heen, alsof ik zoekend was naar iets onbereikbaars. Mijn aankomst veroorzaakte een stilte. Godgeklaagd was de muzikant die zijn harp liet natingelen. Zijn hoofd ging traag omhoog en hij keek mij in de ogen. Geen angst, geen gêne.
Zijn trots dreef mij terug.
“Wachters!”
Een schrille, ijle stem, die ik niet van mij gewend was.
Iedereen staarde naar het tafereel, mijn verbazing delend. Angst was tastbaar en kwetsbaar. Angst was zwak.
Na een knik was het feest weer als tevoren. Na een knik acteerde iedereen vrolijk verder.
Iemand gaf een kort trekje aan mijn rok. Malai keek me aan met tranen in haar ogen.
“Gaat hij dood?”
Ach, het was nog een kind. Soms was het beter naïef te zijn, dom. Van de wereld niet te weten, te verdrinken in de waanzin van het goede.
“Natuurlijk niet. Hij zal verdwijnen, dat is alles.”
Ze leek niet helemaal gerustgesteld. Om eerlijk te zijn, ik ook niet.
Mijn hart voelde angst als een wild paard, voorspelde het ergste. De jongen had iets in zich gehad waar ik geen antwoord op kon geven.
Als een marmeren beeld stond ik bovenaan de trap. Mijn zusje was verdwenen. Het deed me pijn om haar keer op keer te moeten kwetsen, maar ooit zou ze het begrijpen. Ooit zou ze zelf de troon bestijgen en net zo hard zijn als ik nu was. Haar intelligentie was het eerste voorteken.
Jurken dansten vrolijk om elkaar heen.
Ik hield ervan om naar mensen te kijken, naar hun ware persoonlijkheid te zoeken en erbij stil te staan dat niet iedereen dacht zoals ik. Verhalen van anderen fascineerden mij net zozeer als mijn eigen verhaal.
Een vrouw met een bleke huid en nerveuze trekken ving mijn blik. Haar ogen schoten onophoudelijk van links naar rechts, alsof ze op de vlucht was voor iets of iemand. Toch forceerde ze een glimlach om haar lippen.
De ogen van de jonge muzikant bleven door mijn hoofd spoken. Ze vertelden iets, dwongen mij om mijn eigen gezag in vraag te stellen. Mijn adem stokte en ik kreeg het benauwd. Naar buiten, ik moest naar buiten.
Zoute druppels zweet bereikten mijn lippen toen ik met opgetrokken knieën op de stoel zat. Dit was – voor zover ik wist – het hoogste deel van het kasteel. Het dichtste bij de sterren. Ik zong voor hen. Ik zong de wind door mijn haren, op weg naar de ontsnapping. Het balkon was mijn kleine stukje hemel. Enkel hier was het geoorloofd mijn eigen dromen na te streven. Mijn eigen gedachten te denken.
Ik was te jong voor deze kroon.
De geveinsde hardheid brak me, maakte mij kapot.
Het was zo’n avond waarop de warmte iets vreemds had, iets onvoorspelbaars. In de tuin liep een kleine gedaante, snelle stapjes tot aan het water.
“Malai!”
Mijn schreeuw verdween in de wind.
Ze trok haar schoenen uit en balanceerde over de gladde stenen, op dezelfde manier als ik het altijd gedaan had.
Opnieuw en opnieuw, de koppigheid zelve.
Ze wist dat het niet mocht, maar was te intelligent om zich daarbij neer te leggen. Ze was net als ik.
En toen, op deze absolute climax van rust en kalmte, brak de hel los.
“Madame, madame, ze komen, ze komen u halen!”
In de haast scheurde ik mijn jurk en ademden mijn blote tenen buitenlucht. Ik lachte een hysterische lach.
Hun leger rees als een enorme rups achter de heuvel. Ik kon geen hoofden onderscheiden, noch iets menselijks. De dreiging bracht een vreemde sfeer met zich mee, dwong me tot bidden naar de hemel.
Met mijn knieën in het zand en mijn handen gevouwen wachtte ik op hen. Ik zag hoe mijn rijk verscheurd werd, aan stukken gereten. Ik zag hoe bloed van mijn heuvels stroomde, hoe ze mijn daken met slierten vuur versierden.
Ik huilde als een stervende wolf.
Mijn hoopje ellende werd in de armen genomen door een sterke man.
Samen liepen we richting het bos, richting de koets.
“Mevrouw, u moet weg hier, u moet in veil…”
Een pijl doorboorde zijn hart.
Ze waren er, in mijn kasteel.
Bij mijn bedden, tafels, wijn. Bij mijn zusje.
Een vage schim kwam naar mij toe, strekte de handen naar me uit.
Haar ogen waren mijn ogen, haar lippen de mijne, maar ouder.
Ze maakte me doodsbang.
Op de vlucht voor mijn schaduw ving ik beelden op uit mijn verleden. Beelden die ik zo lang en zo bewust gemeden had…
“Mama!”
Met mijn prachtige nieuwe jurk had ik door de tuin gelopen, recht in haar armen.
“Lieve schat, waar zijn je schoenen?”
Ze had mij in het rond gezwierd en naar mij gelachen met een samenzweerderige glimlach. Zij had er, net als ik, altijd van gehouden het frisse gras tussen haar tenen te voelen, de hardheid van kiezeltjes onder haar voetzool.
De koetsen waren klaar voor vertrek. Tranen rolden over mijn wangen en mijn moeder veegde hen weg met de rug van haar hand.
“Tranen zijn een zwakte Laetitia, ze geven te veel prijs.”
Ik keek haar aan, een prachtige, sterke vrouw, besloot haar te geloven. Met een strak en emotieloos gezicht wuifde ik naar hen. Ik bleef wuiven, zelfs wanneer de paarden op hol sloegen, de koets kantelde en mijn ouders de dood in joeg.
Zelfs dan.
Ik schreeuwde, smeekte het jonge meisje om op te houden met wuiven. Om de waarheid onder ogen te zien. Ik wilde haar bij de schouders nemen en door elkaar schudden, zolang ze maar zou stoppen.
Op dat moment werd ik ontdekt door een van de soldaten. Hij trok zijn wapen en kwam naar me toe, geen angst om te doden. Naast hem verscheen weer die schaduw, die schim die steeds helderder werd.
Deze keer was ik niet bang.
Ik nam haar hand en wuifde naar mijn dode lichaam.
Dat was ik hen verschuldigd. Mijn ouders.