Wie zijn wij
De dood klonk veel minder eng wanneer ik in een parkje jogde, met de zon brandend in mijn nek, dan wanneer het licht uitging en ik in bed lag, met een lege plek naast me.
Ik was nu in mijn twintigste levensjaar, en had me lange tijd tachtig als streefdoel voorgehouden, waardoor ik nu dus in een vierde van mijn leven zou zitten. Omdat ik dat toch iets te eng vond klinken, heb ik mijn levensverwachting maar snel bijgesteld naar honderd. Nu in een vijfde dus. Ik was in mijn twintigste levensjaar, en moest er niet aan denken voor altijd bij jou te blijven. Wat een saaie gedachte was dat, een die helemaal niet paste in mijn plannen om een rock-‘n-rollbestaan te gaan leiden. Waarschijnlijk was dat ook niet nodig, voor altijd bij jou blijven, want jij was nu al in je veertigste levensjaar, en door het tempo waaraan jij rookte en zoop, gaf ik je er hooguit zestig.
Je was ook eigenlijk helemaal mijn type niet. Ik weet nog dat ik je – toen ik je voor de eerste keer ontmoette – zelfs een beetje eng vond. Als je niet de beste vriend van mijn vader was geweest, had ik dat waarschijnlijk nog steeds gevonden.
Soms, wanneer je – nadat je mijn kleren had uitgetrokken – in een romantische bui was, zei je dat we samen maar eens kinderen moesten maken. Daar bedoelde je dan zowel mee dat je wilde neuken, als dat je ook effectief een kind van me wilde. Ik keek dan lang naar je, met je woeste baard, je wilde haren en scherpe neus, met daarop een beetje scheef een John Lennon-achtig brilletje, en schudde dan mijn hoofd. ‘Laten we dat maar niet doen.’ Waarop je teleurgesteld een condoom bovenhaalde.
Jij was er vaak niet, en dat nam ik je kwalijk. En als je er wel was, nam ik je dat ook kwalijk. Zo ging dat nu eenmaal met ons. Dat je op de bank ging zitten voor je de was had gedaan. En als je de was deed, dat je die niet netjes had opgehangen. Dat je niet bleef slapen wanneer je in de kroeg hing met vrienden. En als je dan bleef slapen, dat je stonk naar alcohol en snurkte. Maar ook jij was niet snel tevreden. ’s Ochtends was je boos dat ik niet wilde ontbijten. ‘Ontbijt is het voorgerecht van de dag’, zei je dan, en jij kon het weten. Jij was de poëet. En dat ik niet vaak en niet lang genoeg over dingen nadacht, dat verweet je me ook. Dat ik het leven veel te simpel nam. Van een hippie als jij had ik toch net wat meer de pluk-de-dag-mentaliteit verwacht. Maar voor mij was het leven op zichzelf al meer dan genoeg. Denken, dat was voor mensen zoals jij, die te veel van het leven hadden verwacht, en nu van een koude kermis weer thuiskwamen. Die telkens weer redenen bij verzonnen om er niet tevreden mee te zijn.
Ik had van mijn ouders geleerd dat je tevreden moest zijn met wat je had. Slimme, sobere mensen, dat waren ze. Wat ze me echter vergeten waren te leren, was dat je niet moest slapen met de veertigjarige beste vriend van je vader. Daar kwamen de opportunistische hypocrieten dan later weer mee. Alsof jij en ik niet wisten dat mijn vader ook vijftien jaar ouder geweest was dan mijn moeder, en het niet opviel dat ze dat toevallig vergaten te vermelden tijdens de discussie. Het was in diezelfde discussie dat ze besloten dat als ik oud genoeg was om met jou te kunnen zijn, ik ook oud genoeg was om niet meer in hun huis te wonen. Jij mocht met andere woorden doen met mij wat je wilde, zolang het maar niet onder hun dak was.
Vanaf dat moment was jij mijn wilde weldoener, en ik jouw hoer. Althans, zo voelde het toch, en dat lag niet per se aan jou. We hadden seks in een kamer waar jij voor betaalde, en als die seks op zou houden, stond ik hoogstwaarschijnlijk op straat. Het enige verschil was dat ik nu nog af en toe ‘nee’ kon zeggen, en dat deed ik dan ook met alle plezier, al was het maar omdat jij zo graag wilde. Ik moest geen vanzelfsprekendheid worden.
Je zei me een keer – toen je in je losse, witte onderbroek stond te roken bij het raam, met zonlicht op je naar alle kanten uitstekende borsthaar – dat je vond dat wij saai werden. Ik leidde daaruit af dat je bedoelde dat jij saai werd, omdat ik me dat van mijn kant nauwelijks kon inbeelden. Je keek me toen aan, recht in mijn ogen, en begon te lachen. Hard, bulderend. Je begon zo hard te lachen dat heel je lichaam meelachte. Het was zo’n ontroerend tafereel dat ik er even stil van werd. Heel even maar, voor je me optilde, zodat ik mee moest lachen. Hard, bulderend. Zo ging dat nu eenmaal met ons.
Ik was in mijn twintigste levensjaar toen ik jou op straat vond, niet ver van de kroeg waar je altijd kwam. Je was gevallen. Kon niet meer opstaan. Misschien was ik met mijn zestig toch iets te optimistisch geweest, of misschien wilde ik toch voor altijd een leven met jou. Ik weet het niet.