De bevrijding

Ze dook in een rivier van zwarte inkt. Het water stroperig, opstandig. Ze zou de oever waarschijnlijk net niet bereikt hebben. Het zoveelste vergeten vogeltje, dat de olie niet van haar veren kon plukken. Dat alleen maar geprobeerd had.

Maar ik had haar in de gaten. Vanuit mijn struikgewas had ik met interesse gevolgd hoe ze zich had uitgekleed. Haar lichaam dun en doorschijnend, alsof je haar op een hand zou kunnen dragen. Hoe haar voetstappen twijfelden, maar bij elke stap sterker en zekerder werden. Hoe de laatste stap een sprong was.

Ik had zo geboeid gekeken, dat mijn handen zich hadden vastgeklampt aan een verraderlijke struik. De doornen hadden verschillende donkerrode putjes in mijn vingers gemaakt. Het bloed druppelde op de droge aarde terwijl ik naar haar toe ging, naar de stroopzee van inkt. Water donker als de Styx.

‘Ik ben Lente,’ zei ik, terwijl ik mijn hand aanreikte om haar op het droge te helpen. Vederlicht. Met één voet op de oever klapte ze in elkaar. Ik droeg haar naakte lichaam in mijn armen naar het huis toe. Over het bospad, met harde steentjes onder de zolen van mijn blote voeten. Langs de trap aan de zijkant van het huis. Mijn kamer binnen. Ik liet haar opdrogen op de bedsprei die mijn oma had gehaakt. Haar geur was die van zout en zeewier. Haar haren lichter dan ivoor. Ze was zo mooi dat mijn hart ervan brak.

Ivy kreeg vanaf die dag bij ons te eten. Mama smeerde voor ons boterhammen met pindakaas. Maar ze opeten, deed Ivy niet. Spreken evenmin. Ze schudde enkel met haar hoofd, dat was een van de dingen waar ze goed in was. Naar huis wilde ze niet. Maar ook blijven leek haar moeilijk te vallen.

Om haar dunne pols bungelden verschillende armbanden. Die maakten lawaai als ze bewoog. Als ze ze zou laten gaan, zouden ze de grond op kletteren. Maar krampachtig liet ze ze steeds terug in de binnenkant van haar elleboog glijden. We zaten aan de salontafel, keken naar de regen die woest tegen het glas van onze veranda sloeg. ‘Over een maand ga ik naar het middelbaar, Ivy,’ zei ik op serieuze toon. Ze krulde haar mondhoeken op tot een glimlach. Ik denk dat ze het begreep.

Stilaan begon ze weer dingen te eten. Broccoli, af en toe een radijsje. Slechts de dingen die ik vreselijk vond. Haar granieten ogen kregen een schittering, ze werd er nog mooier door. Dankzij haar leerde ik proberen.

Over een week zou ik naar het middelbaar gaan. We gingen samen naar mijn struikgewas, om bedekt naar de rest van de wereld te kunnen kijken. Ze prikte haar vinger aan de struik die ook mijn bloed had gedragen, en legde de bloedende vinger op de littekens van mijn wonden. Ze glimlachte. Ik lachte terug, had zin om haar een zoen te geven, maar stopte halverwege mijn beweging. Bang haar te zullen breken. Ik pakte in plaats daarvan haar bebloede hand vast, en kneep er zachtjes in. Vriendinnen voor het leven.

De volgende keer dat Ivy dook, was tijdens de lunch. Ik smeerde boterhammen met pindakaas. Naast me lag er een voor haar. Misschien was dat het. Was ze niet zo’n grote fan van pindakaas.